Hola, ¿hablas español?

Wie droomt er niet stiekem van om vlotjes perfect Spaans te spreken? Als fervent reiziger alleszins een leuke troef. Is Spaans spreken dan eigenlijk moeilijk? Niet noodzakelijk, vooral als je in het begin niet te streng bent voor jezelf. Zo kom je met wat basiskennis en een portie spreekdurf al een heel eind verder! Wellicht geen perfecte conversatie, maar wel een paar handige, eerste zinnen waarmee je meteen aan de slag kunt. Vamos!

Tekst: Isabelle Lemahieu

Wil je iemand begroeten in het Spaans? Geen probleem, met het bekende woord Hola (= hallo) is iedereen tevreden. Vertrek je, gebruik dan hasta luego (= tot later). Eenvoudig, niet?

Met maar 2 werkwoorden kan je al heel wat over jezelf vertellen. Zo vertel je met het werkwoord soy (= ik ben) bv. over je naam, je nationaliteit of de stad waar je vandaan komt:

Met het werkwoord tengo (ik heb) praat je dan over je bv. leeftijd of over familieleden.

Verder heb je ook nog me llamo (= ik heet, /mee ljamoo/):

Met wat basiswoorden kom je op reis al ver! 👇

LOGIES 🛏️
Dormir = slapen

• Una habitación
= een kamer
• Una cama doble/simple
= een dubbel/enkel bed
• El cuarto de baño con ducha/bañera
= badkamer met douche/bad en lavabo
DRANK ☕
Beber = drinken

• Agua con o sin gaz
= bruis- of plat water
• Cerveza: una caña / una jarra
= bier: een pintje / een halve liter
• Vino: blanco, rosado / tinto
= wijn: witte, rosé / rode
• Un café con o sin leche
= een koffie met of zonder melk
• Un zumo/batido de fresa/plátano
= sap/smoothie van aardbei/banaan
ETEN 🍴
Comer = eten

• El desayuno
= het ontbijt
• La cena
= het avondmaal
• Carne: pollo, ternera, cerdo, cordero
= vlees: kip, rund, varken, lam
• Pescado: salmón, atún
= vis: zalm, tonijn
• Patatas, arroz, pasta
= aardappelen, rijst, pasta
• Verdura a la plancha
= gegrilde groente
DE WEG WIJZEN 📍

• A la derecha = naar rechts
• A la izquierda = naar links
• Todo recto = rechtdoor
VRAAGWOORDEN 🤔

• ¿Qué? = wat?
• ¿Cuándo? = wanneer?
• ¿Cómo? = hoe?
• ¿Dónde? = waar?

Voeg een paar frequente werkwoorden toe en je kan heel wat zinnen & vragen vormen:

Gebruik tengo (tener = hebben) als je zelf vertelt wat je hebt of tienes als je wil vragen of iemand iets heeft.

Het woord hay betekent er is of er zijn. Zo kan je vragen:

Estar betekent zijn, en gebruik je vooral voor locaties en tijdelijke situaties, zoals gevoelens. Praat je over jezelf, zeg dan estoy. Vraag je iets aan iemand anders, dan wordt het estás. Gaat het over iets/iemand anders, dan is het está.

Querer ken je misschien van te quiero (= ik hou van je), maar kan je ook gebruiken wanneer je iets wil.

Vind je iets leuk? Zeg dan me gusta. En weet je, je kan er bijna alles leuk mee vinden! Wil je vragen of iemand anders iets leuk vindt, dan wordt het te gusta.

Wie naar Latijns-Amerika reist, zal merken dat ze er soms andere woorden gebruiken. Een wagen wordt un carro, in plaats van un coche, een gsm is niet meer un móvil maar wel un cellular. Voor de lokale bus heb je tal van varianten, zoals un colectivo of la guagua (Cuba). Geld wordt in Argentinië vaak plata genoemd in plaats van dinero, en fruitsap wordt meestal jugo in plaats van zumo. Dit zijn maar enkele voorbeelden en vaak zijn er nog varianten naargelang het land of de streek.


Zo zie je maar, je hoeft geen volledig grammaticaboek te leren om wat Spaans te spreken. Leer wat basiswoorden rond reizen en focus op de essentiële werkwoorden. De rest is vooral durf. Hablas español? Claro que sí!

💡 Tip: Wist je dat Karavaan regelmatig een Spaanse taalbaño organiseert? Tijdens 5 avondlessen word je ondergedompeld in het Spaans dat je écht nodig hebt als reiziger. In 2026 kan je de online lessenreeks volgen in november-december, en in 2027 organiseren we ‘m in ViaVia Mechelen in april-mei. Vamos!

Dit artikel verscheen in De Karavaan van juli 2026. Ook 4x per jaar ons magazine ontvangen? Word lid van Karavaan. 😎

Lees verder

Zie meer